NL Pensioenstelsel

Het pensioenstelsel in Nederland biedt tal van mogelijkheden om een voorziening op te bouwen voor onze oude dag. Meestal is dat het inkomen vanaf 65 jaar al zijn er vergaande plannen om de “pensioenleeftijd” in etappes op te trekken naar 67 jaar.

Vroeger werd uitgegaan van een streefpensioen dat 70% van het laatst verdiende salaris bedroeg. Dit werd opgebouwd vanaf leeftijd 25 jaar tot leeftijd 65 jaar. Tegenwoordig is dit echter niet vanzelfsprekend. Er zijn verschillende manieren om pensioen op te bouwen. Het start bij de toezegging van uw werkgever.

Pensioen opbouwen kan via een bedrijfstakpensioenfonds (BPF), een ondernemingspensioenfonds (OPF) of via een rechtstreeks verzekerde regeling bij een verzekeraar. Er kan ook op individuele basis pensioen worden opgebouwd, bijvoorbeeld voor een directeur-grootaandeelhouder. De bedrijfstakpensioenfondsen verzorgen de pensioenregeling voor een gehele bedrijfstak. Er is vaak sprake van een verplichte deelname voor het desbetreffende bedrijf dat actief is in een bepaalde sector (bijvoorbeeld de Metaalsector). Een ondernemingspensioenfonds is opgericht voor één specifieke werkgever, of groep van gelieerde bedrijven (bijvoorbeeld Shell pensioenfonds). Steeds meer kleinere ondernemingspensioenfondsen (her)verzekeren het pensioen volledig bij een verzekeraar.

Op dit moment worden veel ondernemingspensioenfondsen opgeheven vanwege de geringe toegevoegde waarde en de relatief hoge kosten van instandhouding. De kosten wegen niet op tegen de baten. Ben je als werkgever niet werkzaam in een bepaalde branche met een verplichtstelling bij een BPF of heb je geen OPF vanuit het verleden, dan kan je als werkgever zelf een pensioenregeling opzetten voor het bedrijf. De inrichting en randvoorwaarden voor een dergelijke regeling zijn samen met een adviseur in te vullen. Pensioen is in Nederland geen verplichting. Als u ervoor kiest om een pensioenregeling te starten is er eigenlijk geen weg meer terug. Een pensioenregeling wordt ondergebracht bij een verzekeraar, ook wel (pensioen)uitvoerder genoemd.

Het is niet ongebruikelijk dat de premie door werkgever en werknemer samen wordt opgebracht. Het werknemersdeel van de premie wordt van het bruto salaris ingehouden zodat er ook een “belastingbijdrage” van toepassing is.

Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers die gezamenlijk moeten voorzien in een goede oudedagsvoorziening.

De eerste pijler;

In Nederland verzorgt de overheid voor een aantal basisvoorzieningen zo ook op het gebied van de oudedagvoorziening. Deze voorziening de AOW (Algemene Ouderdomswet) biedt een basis inkomen waarvoor elke ingezetene premie betaald vanaf 15 jarige leeftijd tot 65 jarige leeftijd. De AOW wordt uitgekeerd door de Sociale Verzekering Bank. De premie wordt afgedragen via de loonadministratie voor de werknemers. Het basis inkomen voor een gehuwd persoon bedraagt ongeveer € 9.028,- bruto per jaar. Voor een jongere partner ontvangt de gehuwde persoon een toeslag. Een van de maatregelen om de AOW betaalbaar te houden is het afschaffen van deze partnertoeslag. Daarnaast wordt vanaf een bepaald pensioeninkomen uw AOW uitkering gekort.

In Nederland treedt vergrijzing op, steeds minder werkende moeten de uitkeringen voor de AOW-ers opbrengen. Dit leidt tot onbetaalbaarheid van het systeem. Dit komt met name door de financieringsmethodiek: het omslagstelsel. De premie die vandaag wordt betaald, wordt morgen als AOW uitbetaald. Er zijn vergaande plannen om de AOW leeftijd, ook vanwege de vergrijzing, op te trekken naar 67 jaar. Wist u trouwens dat voor elk jaar dat een ingezetene niet in Nederland woont,  de AOW 2% wordt gekort?

De tweede pijler;

De tweede pijler bestaat uit het pensioen dat wordt toegezegd door een werkgever aan de werknemer. Deze toezegging is een voorwaarde voor de benaming “pensioen”. Pensioen is geen verplichting tenzij er aansluiting is bij een CAO (Collectieve Arbeids Overeenkomst) van waaruit wel vaak een verplichting geldt tot aansluiting bij een Bedrijfstakpensioenfonds. Pensioen is een secundaire arbeidsvoorwaarde en wordt steeds vaker meegenomen in het vergelijk van banen door werknemers. Moeilijkheid hierbij is dat pensioen op vele manieren is in te vullen van “Lada tot Rolls Royce”. Het komt dan ook voor dat werknemers op een verkeerde grond de keuze maken om over te stappen naar een andere werkgever.

Communicatie is een zeer belangrijk middel voor een werkgever om duidelijk te maken wat de regeling inhoudt en wat de kosten van de pensioenregeling zijn, zowel voor de werkgever als voor de werknemer. De pensioenwet is ook sterk gericht op een goede, heldere communicatie van werkgever (of uitvoerder) naar de werknemer. Hiervoor zijn de volgende documenten ontwikkeld en verplicht gesteld vanuit wetgeving: de startbrief, de pensioenovereenkomst, het pensioenreglement, het uniforme pensioenoverzicht (UPO).

De derde pijler;

De derde pijler bevat de privé voorzieningen. In de volksmond ook vaak pensioen genoemd, maar dat is het niet. Pensioen moet immers zijn vastgelegd in een pensioentoezegging van een werkgever aan een werknemer. In de derde pijler heeft de werkgever echter niets met de opbouw van de oudedagvoorziening te maken. Deze voorzieningen worden lijfrente voorzieningen genoemd. Een lijfrente voorziening is fiscaal gefaciliteerd, dit houdt in dat de fiscus onder voorwaarden ook bijdraagt aan de opbouw van deze oudedagsvoorziening.

Een lijfrentevoorziening kan worden opgebouwd door middel van een verzekering of een bankrekening. Of de fiscus meebetaald hangt af van de aantoonbare “jaarruimte”. Dit is de ruimte die, naast een eventuele pensioenvoorziening uit de tweede pijler, bestaat om een aanvullende voorziening op te bouwen. De fiscus betaald mee in de 1e en 2e pijler, maar stelt wel maxima. Voor meer informatie over de jaarruimte kunt u terecht op de site van de belastingdienst. Met een lijfrente rekening of verzekering spaart of belegt u premies om een zo hoog mogelijk eindkapitaal te bereiken. Op de einddatum “koopt” u een uitkering aan bij een bank of verzekeraar. U maakt de afspraak met hen dat zij in ruil voor het afstorten van het kapitaal een periodieke uitkering verstrekken. Over deze uitkering betaald u belasting.

Samen met de AOW en het pensioen vormt de lijfrente de totale oudedagsvoorziening. De uitkeringen van een lijfrente zijn ook aan regels gebonden, u kunt bijvoorbeeld een tijdelijke uitkering afspreken (minimaal 5 jaar) maar ook een levenslange uitkering (tot uw overlijden). Zowel voor pensioen als voor lijfrente kunt u kiezen voor een overgang van (een deel van) de uitkering naar de partner indien u onverhoopt overlijdt.